Arbeidsmarktverkenning Zorg en Welzijn in Noord-Brabant 2011-2015
Brabant krijgt van alle provincies de grootste uitdaging Acute problemen op de arbeidsmarkt beperken zich de komende jaren tot branches waar verzorgenden (niveau 3) werkzaam zijn namelijk de verpleeg- en verzorgingshuizen en de thuiszorg. In mindere mate kunnen zich problemen voordoen bij sociaalpedagogen (niveau 4) en mogelijk bij gespecialiseerde verpleegkundigen en agogen die werken met specifieke groepen (bv. jongeren). De meeste branches krijgen de komende jaren niet te maken met een tekortschietend aanbod als de huidige instroom in de opleidingen op peil blijft.
De vraag naar zorg neemt als gevolg van de vergrijzing jaar op jaar toe. Dit geldt in het bijzonder voor de provincie Noord-Brabant. Hier is het tempo van de vergrijzing nu en in de komende jaren veel sterker dan elders in den lande.
Daar staat tegenover dat de beroepsbevolking nauwelijks meer groeit en op termijn zelfs gaat krimpen.
Meer vraag dan aanbod De groeiende vraag naar zorg en het slinkende aanbod van werkenden zijn meer dan voldoende redenen om de Brabantse arbeidsmarkt van Zorg en Welzijn nauwkeurig te volgen en te monitoren. Hoeveel mensen zijn er de komende jaren nodig? Lukt het zorgen welzijnsorganisaties op de huidige manier om voldoende personeel aan te trekken? Zo niet, waar liggen dan kansen? Op wie moeten ze zich
richten? Wat moeten ze daarvoor doen? Maar ook: wat betekent de huidige crisis voor de vraag naar en het aanbod van personeel voor de komende paar jaar?
Het arbeidsmarktbeleid voor de zorg- en welzijnssector in Noord-Brabant vraagt veel balanceerkunst. Uitgezonderd in Midden-Brabant zijn bij handhaving van de huidige opleidingsinspanning voor de komende jaren weinig aanbodtekorten te verwachten. Een belangrijke uitzondering wordt gevormd door verzorgenden. Bij de andere opleidingen bestaat het risico dat afgestudeerden straks niet direct een baan kunnen vinden. En dat terwijl op de lange termijn juist een ieder hard nodig is!
Lange termijn Acute problemen op de arbeidsmarkt beperken zich de komende jaren tot branches waar verzorgenden (niveau 3) werkzaam zijn namelijk de verpleeg- en verzorgingshuizen en de thuiszorg. In mindere mate kunnen zich problemen voordoen bij sociaalagogen niveau 4 en mogelijk bij gespecialiseerde verpleegkundigen en agogen die werken met specifieke groepen (bijvoorbeeld jongeren). De meeste branches hebben niet te maken met een tekortschietend aanbod als de huidige instroom in de opleidingen op peil blijft.
Wel kunnen ziekenhuizen de gevolgen ondervinden wanneer verpleeg- en verzorgingshuizen en thuiszorg niet meer naar behoren kunnen functioneren! Ketens van zorg raken dan verstopt.
Strategisce keuzes De (gezamenlijke) zorgorganisaties in de ouderen- en thuiszorg in Noord-Brabant zullen een keuze moeten maken uit de volgende mogelijkheden:
- verhogen van de omvang van de instroom in de opleiding tot verzorgende;
- proberen meer reeds opgeleiden (bv. niveau 2 of niveau 3 sociaalagogisch) met een bijscholing richting de functie van verzorgenden te laten gaan;
- beperken werkzaamheden van verzorgenden tot hun kerntaak; trek voor het overige werk anders opgeleiden aan;
- via functiedifferentiatie het functiegebouw aanpassen en dan ook andere groepen aantrekken (bv. niveau 2 en verpleegkundigen).
Het kan zijn dat de ene instelling voor de ene en een andere instelling voor een andere optie kiest. De optimale oplossing hangt immers van de specifieke omstandigheden en de doelen van de organisatie af.
Verder dient bedacht te worden dat de huidige omvang van de instroom niet zonder veel inspanning tot stand gekomen is. Het op peil houden, een voorwaarde om tekorten te voorkomen, vergt dus de nodige aandacht, bijvoorbeeld het aanbieden van voldoende stageplaatsen.
Nu ondervinden zorg- en welzijnsopleidingen niet zo veel concurrentie van ander bedrijfstakken, maar dat kan straks weer snel omslaan, zeker waar de potentiële instroom van leerlingen door demografische oorzaken gestaag afneemt. Blijvende aandacht is dus gewenst om het gewonnen terrein niet verloren te laten gaan.